“Van straathoek naar Facebook”

van facebook naar straathoekAnno 2014 analyseert de politie het gedrag van (sommige) jongeren op social media aan de hand van een theorie uit 1959. Zoveel blijkt uit “Van de straathoek naar Facebook: een onderzoek naar het gebruik van social media door jongeren binnen de straatcultuur” dat door de Projectcoördinator Sociale Media aan mij gemaild werd. In een opgeblazen masterscriptie (172 pagina’s, letterype huge; regelafstand maximaal) aan de Erasmus universiteit wordt toegeschreven naar de vooraf onbetwistbare “etnografische” conclusie. “Mijn onderzoek leent zich uitstekend voor  dergelijke uitstapjes, omdat ik vooral een bepaalde cultuurcriminologische ontwikkeling wil aantonen die niet gebonden is aan een bepaalde wijk.”

De uitstapjes in casu betreffen de wijk van de promovendus (Spangen, Rotterdam) en later, als blijkt dat zijn infiltratiestrategie niet werkt wordt de doelgroep uitgebreid met profielen op social media die door oorspronkelijke onderzoeksgroep gevolgd en/of verspreid worden. Daarbij gaat hij achterbaks te werk. “Voor alle social media-platformen waar ik in het licht van mijn onderzoek gebruik van heb gemaakt heb  ik  profielen aangemaakt met schuilnamen die op geen enkele manier terug te leiden waren naar mijn echte  identiteit. Op  deze manier was het  voor mijn rsspondenten onmogelijk  te  weten  wie  ik  was. Ik heb geen profielfoto’s ingesteld en ook verder geen enkele informatie met betrekking tot mijzelf prijsgegeven. Naast het anonimiseren van mijn profiel heb ik ook door mijn online gedrag geprobeerd geen aandacht op mij te vestigen. Zo heb ik, met uitzondering van een tweetal tweets naar een politieagent, geen enkele keer zelf een  bericht op een van de verschillende platformen  geplaatst. Ook met het volgen van respondenten op Twitter ben ik erg voorzichtig  geweest. Wanneer  je  besluit  iemand  te ‘followen’  krijgt diegene daar een  bericht van en kan hij of zij  zien wie behoren tot  jouw contacten. Aangezien mijn contactenlijst(je) op Twitter bestond uit drie agenten en een stadsmarinier, zouden de jongeren snel genoeg vermoeden met wat voor intentie ik  hen volgde. Ik heb hierom besloten om slechts mijn twee belangrijkste respondenten te volgen op Twitter en de rest steeds handmatig op te zoeken. Deze overweging werd in eerste instantie ingegeven door het feit dat ik van plan was hen te benaderen via Twitter. Het feit dat deze beide respondenten reeds zeer veel followers hadden (1.131 en 2.788) maakte het voor mij mogelijk hen te volgen zonder dat zij mij op zouden merken. Dit  laatste is niet alleen belangrijk met het oog op mijn veiligheid, maar voorkomt tevens de hieronder uitvoerig besproken verstoring van mijn onderzoek.” Juist ja, geprivilegieerde jankbek. En hoe weten je respondenten precies dat ze respondenten zijn Niet? Goh.

Anno 2014 kan het bestaan dat er een “zelfstandig criminoloog” afstudeert aan de Erasmus Universiteit door toe te schrijven naar de vooringenomen conclusie dat alles wat naar “urban”of zoals de promovendus het vertaalt “straat” riekt criminogeen is. En die stelling wordt dus opgehangen aan “de dramaturgische benadering van Goffman (1959).” En dat vormt dan serieus hét document om pliesies over de streep te krijgen om te gaan facebooken en twitteren en shit. Ook al staat in de inleiding: “Omdat voor mij de performance van respondenten centraal staat, zal ik slechts zeer beperkt bezighouden met waarheidsvinding.” Bevooroordeelde promovendus is bevooroordeeld en dat moet je ook wel zijn als je wilt volharden dat het huidige systeem eerlijke kansen biedt.

Getagd , . Bladwijzer de permalink.

Geef een reactie