Het fenomeen automobiel

Zoals gebruikelijk stond het verkeer op de route naar mijn tewerkstelling voor de BV Vernederland vanochtend weer meer stil dan het bewoog. In tegenstelling tot de rest van m’n mede-onderdanen zie ik daar echter de positieve kant van in. Je kunt je natuurlijk wel heel boos maken over het feit dat je elke werkdag weer totaal voor lul staat maar waarom zou je de hilariteit van de intens trieste situatie niet gewoon inzien? Zet nog een leuk muziekje op, kijk nog wat langer naar de ons mensjes keihard uitlachende schapen langs de snelweg en geniet van wat extra tijd die je niet in dienst van de BV hoeft door te brengen. Dat denk ik dus op zo’n moment. De rest van Vernederland niet. Althans, de woedende gezichten, de onvriendelijke handgebaren en het gevloek en getier waarvan je alleen visueel kunt genieten omdat het in je achteruitkijkspiegel plaatsvindt, suggereren toch echt een wat andere mindset dan de mijne.

Autorijden is voor verliezers. Laat ik het maar meteen gezegd hebben. Dat ik ook tot die verliezers behoor, dat was u ondertussen al duidelijk. In een maatschappij die de waangedachte koestert dat een auto een handig, wenselijk en zelfs statusverhogend  object is, ontkom je daar (als iemand die ook nog eens in een nagenoeg OVee-loos gehucht woont) bijna niet aan. Maar geloof mij, beste lezer, als we met zijn allen nou eens voor een echte oplossing zouden kiezen, dan deed ik het hoereding gisteren nog de deur uit.

Een auto is een onding. Levensgevaarlijk, kost klauwen met geld en in een krap bemeten boerderij als de onze sta je er ook nog eens verdomd vaak mee stil. De voornaamste reden dat deze ondertussen reeds zwaar achterhaalde manifestatie van menselijke domheid nog steeds zoveel aanzien geniet is de bekende saaie reden: er wordt economische groei mee bereikt. Of bondiger gezegd: er worden wat bedrijven schatrijk van. En niet alleen voor de hand liggende industrieën als oliemaatschappijen; een groot deel van onze samenleving draait op sectoren die op een of andere manier aan het fenomeen automobiel gerelateerd zijn. Autofabrikanten, dealers, schadebedrijven, garages, verzekeringsmaatschappijen, ziekenhuizen, onze weldoeners van de politie en  de wegenbouwsector zijn zomaar een paar voorbeelden.

Wat daarbij ook niet bepaald meewerkt is dat instituten als Hollywood de auto steevast typeren als geil hebbeding voor mannen. Mocht u het niet weten, de gedachte dat auto’s “stoer en mannelijk” zijn, is geen gedachte die mannen genetisch ingegeven is. Een paar honderd jaar geleden reden er tenslotte verdomd weinig auto’s rond. Het is geen oerinstinct, wat de filmbizz of autoindustrie u ook wijs proberen te maken: het is een verzinsel van hele nare mensen als Edward Bernays – de grondlegger van het fenomeen public relations/propaganda – die mensen graag als inferieure en breindode onderdanen doen fungeren. Iets dat klaarblijkelijk uitstekend geslaagd is.

Kapotgeprogrammeerd als de mens is, blijven we dus stug  – allemaal afzonderlijk want andere mensen zijn eng – in onze metalen doodskisten op wielen achter elkaar in de rij staan. In plaats van te kiezen voor een vervoersoplossing waar veel meer mensen veel blijer van worden (ze zijn mogelijk, denkt u er vooral zelf eens een keertje over na) verkiezen wij de weg van de gehypnotiseerde zombie. De weg van de man met de kleine penis die uit eveneens geconditioneerde compensatiedrift een monster van een automobiel aanschaft. De weg van de braaf ja-knikkende voetveeg van corporate mijnheren en mevrouwen en mensen die zich volksvertegenwoordigers noemen. De weg van de verliezer.

Getagd , , , , . Bladwijzer de permalink.

Geef een reactie